donderdag 26 september 2019

Ubi Caritas et Amor


Vorige week deed ik mee aan een speciaal koorconcert in Amsterdam. September vorig jaar leefde ik toe naar wat de reis van mijn leven zou worden, een reis met een projectkoor naar Brazilië. Daar, op de grens van oktober en november, waren we te gast bij een Braziliaans koor dat dit vroege najaar door Nederland toerde. In Amsterdam zongen we weer samen, en ook een derde koor deed mee. Aan hen was het te danken dat ik, in een kerk die gevuld was met het laatste zonlicht, opeens het Ubi Caritas van Maurice Duruflé weer hoorde.

Ubi Caritas et Amor, Deus ibi est, zo luidt de hele zin: waar vriendschap is en liefde, daar is God. De tekst is gebaseerd op de Bijbel, en via het Gregoriaans de basis geworden voor verschillende stukken, liederen en gezangen uit allerlei tijden. Duruflé schreef zijn versie in de jaren ’60. Ik hoorde het stuk voor het eerst zo’n dertien jaar geleden, op een al even zonnige herfstdag als die van het recente concert. 

Locatie was een kerk in Berlijn, vlak voor een orkesttournee naar Rome. Net een paar dagen eerder had huisgenoot N., over wiens betekenis in mijn leven ik hier al eens schreef, mij zijn niet meer verwachte liefde verklaard. Bij het Ubi Caritas van Duruflé, tijdens een uitzwaaiconcert gezongen door het koor waarmee mijn orkest op pad ging, spitste ik mijn oren. Of God iets met N. en mij te maken had kon ik niet zeggen, maar vriendschap en liefde waren er volop. Het zou wel goedkomen, op de één of andere manier.

Het Ubi Caritas kwam een paar jaar geleden op een even rake manier bij me terug via de oudejaarsconference van Herman Finkers. Hij besloot zijn show met een pleidooi voor kwetsbaarheid, zachtheid en schoonheid, in een wereld die daar ook op de grens van 2015 en 2016 best een dosis van kon gebruiken. Finkers’ pleidooi kwam binnen: 2015 was geen makkelijk jaar geweest, alweer niet. Uit die ene regel in het Gregoriaans, gezongen door een hoge vrouwenstem, sprak hoop voor het nieuwe jaar.

In beide bovenstaande gevallen was de hoop die spreekt uit het Ubi Caritas slechts van korte duur: met N. liep het stuk, en ook 2016 was moeilijk. Toch blijven die regels, sinds die middag in Berlijn, voor mij van een ongelofelijke kracht. En raakten ze me in Amsterdam opnieuw. Want of God daar is waar vriendschap is en liefde, weet ik nog altijd niet. Maar daar gebeuren wél goede dingen. Ook als het dagelijks leven om allerlei redenen niet gaat zoals je hoopt. Of als een verre reis, behalve fantastisch, af en toe ook doorbijten is. Ik hoef maar naar dat concert van vorige week, naar de muziek, de lol en het vertrouwen te kijken, om te weten dat het klopt. Meestal dan toch. 





donderdag 15 augustus 2019

Gezien: Diego Maradona. Rebel. Hero. Hustler. God.


Het was in het midden van de jaren ’90 dat ik schijnbaar opeens geïnteresseerd was in voetbal. Voor die tijd vond ik dat bord op schoot op zondagavond maar een saai gebeuren, maar van de ene op de andere dag was dat voorbij. Dat bij mij op school alle meisjes fan waren van de Backstreet Boys en ik dat pertinent niet wilde hielp aardig mee.

De sportverdwazing die begon met mijn bekering tot het voetbal is gelukkig alweer lang geleden omgeslagen in sportinteresse. En meer nog dan van mooie sport en bijzondere uitslagen hou ik tegenwoordig van de verhalen uit de sport. Niet de zoveelste trainer die er in de derde persoon wat op los analyseert. Nee, de verhalen van sporters of teams waar iets mee is dat afwijkt van de -onbewuste- norm dat sporters in alle opzichten perfecte mensen zijn.

Dat was dan ook de reden dat ik de documentaire Diego Maradona. Rebel. Hero. Hustler. God. graag wilde zien toen ik er onlangs over hoorde. Als er nou iemand is met een leven vol rafelranden dan is het Maradona wel. Bovendien wéét ik dat hij een formidabele voetballer was, maar kwam mijn liefde voor de sport te laat om daar nog zelf getuige van te zijn geweest. Er moet toch meer zijn dan die warming up waarbij hij op de klanken van ‘Life is life’ een hele trukendoos opentrekt? 

Nou en of er meer is. Talloze mooie acties, in de documentaire maar zelden in beeld gebracht vanuit dat standaard stadionperspectief waarbij je het hele veld overziet. Regisseur Asif Kapadi heeft ervoor gekozen veelal de beelden van de camera’s direct naast het veld te gebruiken. De acties zien er nog net zo mooi uit, maar de emotie op de gezichten is veel beter te zien.

Maar meer dan het voetbal, zowel in de film als in het echt, is er het leven buiten het veld. In het chaotische Napels van eind jaren ’80 waar, dankzij de combinatie van beeld en muziek, bijna voelbaar wordt hoe Maradona daar nooit een moment rust gehad heeft. Er is de mafia-familie Giuliano. Er zijn vrouwen, en kinderen. En er is cocaïne. Steeds meer. Totdat de drugs het op een dag overneemt van de sport, in alle opzichten.

Van alle gesprekken die in de film dienen als voice-over bij de uren authentiek beeldmateriaal vond ik die met de personal trainer van Maradona het meest indrukwekkend. Hij legt uit wie Diego is, een vriendelijke kerel uit een arme buitenwijk van Buenos Aires. En wie Maradona is, een arrogante klootzak waar hij niets mee kan. En hoe Diego Maradona nodig heeft, om zich staande te kunnen houden.

En dat allemaal, dacht ik na twee uur ademloos kijken, om een spel met een bal. Dat is een bord op schoot meer dan waard. Maar geen verlopen leven.





zondag 21 juli 2019

Vijf jaar later


Ik weet al niet eens meer waarom ik eigenlijk opstond. Misschien moest ik naar de wc, of wilde iets pakken uit de keuken. Maar ergens in de weg omhoog vanaf de bank ging het mis. Er was een pijnscheut en ik kon niet meer voor- of achteruit. Toen ik me door de pijn heen toch een soort van omhoog geworsteld had, stond ik scheef.

Waarom iets anders is als het vijf of tien jaar geleden is, in plaats van drie of zeven, weet ik niet. Het is ook niet dat ik bij die ronde getallen meer gevoel heb dan bij die andere. Maar mede vanwege alle terechte aandacht voor de herdenking van de ramp met de MH17 afgelopen week, ontkom ik niet aan diezelfde vijf jaar voor mijn rugblessure. Mijn vader had me net opgehaald in Utrecht voor een paar dagen slapen op hele zware pijnstillers in Arnhem, toen de eerste berichten binnenkwamen via Radio Tour de France.

Tot ik zo door mijn rug ging als in 2014 wist ik niet hoeveel pijn een mens kon hebben. Die eerste dagen waren het ergst, en de pillencocktail in Arnhem zorgde dan ook voor een zalige verdoving. Prettige bijvangst was dat ik daarna ook weer rechtop stond, en in gedachten het commentaar van Hans van Zetten bij de gouden Olympische turnoefening van Epke Zonderland hoorde. 

Maar daarmee was ik er nog niet. Het zou uiteindelijk anderhalf jaar duren voordat ik wezenlijke verbetering merkte. Natuurlijk, in de tussenliggende tijd werd de pijn echt wel minder dan in het begin. Maar het kwam ook altijd weer terug. Hoeveel ik er ook tegenaan trainde bij de fysiotherapeut. De doorbraak kwam pas toen ik me in het najaar van 2015 letterlijk neerlegde bij de situatie zoals die was: ik ging erbij liggen. Elke twee uur een kwartier, of ik nou thuis, op mijn werk of op een feestje was. En verrek, wat in alle maanden daarvoor nauwelijks gebeurd was, gebeurde nu wel: de pijn werd al na een paar weken minder. Tot ik ergens in de loop van 2016 zover was dat ik de rustpauzes kon loslaten.

Al dat liggen bleek ook een rustpauze voor mijn geest. Wie lange tijd last heeft van een bepaalde ziekte of klacht, wordt daar op zeker moment ook mentaal door besmet. Ik bleek daarop geen uitzondering. Het vele liggen, zonder te mogen pielen op mijn telefoon of iets anders dat afleidt, bleek te helpen bij het doorbreken van de piekercirkel waarin ik terecht was gekomen. Eerst niet, toen werd het gevecht met mijn gedachten alleen maar erger. Maar na een tijdje werd dat minder. Tot de kwartiertjes rust zelfs prettige onderbrekingen werden, momenten om fysiek en mentaal op te laden.

Vijf jaar later stel ik vast dat mijn leven blijvend veranderd is na de rugblessure. De pijn is veranderd in een vaag zeurend gevoel dat goed te verdragen is, maar is er dus nog steeds. Een slecht bed, lange autorit of net even verkeerd opstaan uit mijn stoel kan mijn rug nog steeds ontregelen. Tenslotte is viool spelen blijvend verleden tijd, en staan ideeën om te gaan tennissen of wielrennen waarschijnlijk voor altijd in de ijskast.

Tegelijk is er ook winst. De rugblessure veegde vijf jaar geleden mijn agenda in één klap leeg, voor maanden. Waardoor ik erachter kwam dat dat volgepropte jakkerleven waarin ik verzeild geraakt was helemaal mijn ding niet was. En mentaal heb ik ook bijgeleerd. Ja, ik kan diep wegzakken en het is ook niet dat dat sindsdien niet meer is gebeurd. Maar ik heb veel bijgeleerd over leven met alles wat er is, met pijn aan de ene kant, en een feestje, kop goede koffie of mooie zonsondergang daarnaast. En ik leer nog elke dag bij. 

Als ik dit stuk heel Amerikaans zou willen eindigen, komt nu de vaststelling dat de rugblessure het beste is dat me ooit is overkomen. My ass: alle pijn, fysiek en mentaal, had ik graag overgeslagen. Maar vijf jaar later heb ik mijn leven weer terug, met spijtige aanpassingen én goede verbeteringen. Dat is wat het is, en dat is toch veel om dankbaar voor te zijn.