woensdag 15 oktober 2014

Gezien: U kunt nog stemmen



Als ik de klok ruim tien jaar terug zet woon ik opeens weer op een zolderkamer in Groningen. Donderdagavond is weer stapavond. In het weekend schaats ik in Hengelo. En er is Idols. Een programma waar ik vanaf het begin een hekel aan heb gehad, maar waaraan op zeker moment niet meer viel te ontkomen. Jim en Jamai waren overal. 

In ‘U kunt nog stemmen’, een documentaire van Emma Westerman, waren dat dan ook de enige namen en gezichten die ik nog kende. Dat er ook ooit een Bas, een Joel en een Zosja op het podium hadden gestaan heb ik volledig gemist. En dat is precies waar deze documentaire om draait. 

Want met name de plotselinge bekendheid was voor alle tien deelnemers even overdonderend. Net zoals de oorverdovende stilte die daar voor de meesten na het Idols-avontuur op volgde. Allemaal hadden ze een droom toen ze op die stip gingen staan. En voor allemaal pakte het uiteindelijk anders uit. Gewenst of niet.

Reünies zijn fascinerend. Mensen terugzien in een context die er niet meer is levert vaak verrassende taferelen op. Van openhartigheid, schaamte en een portie ongemak. Dat alles komt terug. Stukken interessanter dan Idols zelf ooit is geweest.






zondag 21 september 2014

Dag zomer!



Gisteravond liep ik er weer langs, langs die muurschildering bij mij om de hoek: ‘Een straat in de zon, en uit een open raam je lievelingsmuziek.’ Een prachtige tekst vind ik dat. Je voelt de warmte van een zwoele zomeravond. Van alle hoop en verwachting die altijd kleven aan die mooiste maanden van het jaar. 

Mijn voorjaar leek de perfecte aanloop naar zo’n zomer als in die tekst. De lente was er vroeg bij. Oranje leek tegen alle verwachtingen in wereldkampioen te worden. Eindelijk waren daar de hakken waarop ik al sinds 1 januari mijn goede voornemen van dit jaar wilde inlossen. Opeens was hij er ook. 

Totdat de klad erin kwam. Oranje strandde in de halve finale. In korte tijd was ik veel te vaak veel te ver van huis. En de verbinding tussen hem en mij begon te storen, totdat-ie uiteindelijk wegviel. 

Het was in die dagen dat mijn nieuwe hakken me het laatste zetje gaven. Dansen in een park in Brighton ging nog net, maar eenmaal thuisgekomen stond ik zo scheef als de toren van Pisa. Opeens bestonden de dagen uit liggen en pijn. Terwijl mijn vrienden het terras op gingen legde ik therapeutisch maar weer eens mijn been in mijn nek. En toen Ulysses uitkeek over de Cliffs of Moher keek ik nog steeds naar het plafond. Om onduidelijke redenen steken er twee schroeven uit. 

Twee maanden pijn, twee maanden helemaal niks. Toch was het geen verloren tijd. Want nog nooit zag ik zoveel van de stad als tijdens mijn zomerse hernia-wandelingen. De Domtoren in de avondzon. Vrolijk zwaaiende peuters. Dat echtpaar dat ’s avonds zo knus op de bank zit. De reiger bij de vijver in het park. En altijd wel ergens dat open raam en die muziek.

Voeg daarbij de vele gesprekken op de rand van mijn bed. Over de boodschappen die ik nodig heb of het kleurboek voor volwassenen (nee, het is niet belachelijk!). Maar ook over hoe het was om te werken tijdens de ramp met de MH17. En over de vaststelling dat de wereld soms niet draait zoals je zou willen. Die schroeven in het plafond veranderden daar niks aan. Maar waardevolle gesprekken waren het wel.

Inmiddels gaat het heel langzaam beter. Minder pijn. Halve dagen werken. Af en toe weer een kop koffie in een café. Ik, hater van kou en sneeuw, kan niet wachten tot de winter, als ik hopelijk mijn normale leven weer terug heb. Huppelend als een jonge hinde op snowboots, met in mijn achterhoofd de vele onverwacht bijzondere momenten uit de zomer van 2014.

Dag zomer! Als je volgend jaar weer terugkomt doe ik weer met je mee. 
Maar voortaan wel op slippers.





donderdag 3 juli 2014

De randen van de nacht



Het was zo’n nacht.
Ze waren allebei zonder jas en zij leunde, met haar fiets aan de hand, tegen zijn schouder.
Hun blikken waren zelfs vanaf een meter of vijftien, in het schemerdonker, goed te begrijpen.
Naar hem of naar haar?

Beetje jammer alleen, dat die verwachtingsvolle stilte van de late nacht zo ruw werd doorbroken door die vrouw met die bril en die krullen, die met haar knalrode Greenwheels-auto keihard over een stalen plaat reed. 

Duizend maal sorry daarvoor.

Toch vind ik deze dag, met zo'n zonsopgang, nog alleszins hoopvol voor ons allen.
In het bijzonder voor hen.


zondag 2 maart 2014

Gelezen: Oorlog en terpentijn



Schrijver Stefan Hertmans ontvangt kort voor de dood van zijn opa, ergens in de jaren tachtig, diens dagboeken. Hij weet dat ze onder andere gaan over de tijd die zijn opa doorbracht als Vlaams frontsoldaat in de loopgraven tijdens de Eerste Wereldoorlog. Toch duurt het nog jaren voordat hij de dagboeken inkijkt. En kost het hem nog meer tijd om de persoonlijke ervaringen van zijn opa om te zetten in de roman die de afgelopen weken op mijn nachtkastje lag. Een boek dat gaat over de manier waarop een arme jongen uit Gent in het Belgische leger terecht komt. Maar ook over de schrijver zelf en hoe hij zoveel jaar later naar het leven van zijn opa kijkt.

Ik moet uitkijken dat 2014, waarin het honderd jaar geleden is dat de Eerste Wereldoorlog begon, niet het jaar wordt waarin ik alleen maar boeken over die oorlog ga lezen. Dit is het tweede boek met dit thema dat ik in korte tijd las. En het eerste überhaupt dat ik las over een Belgische soldaat aan het front. Eentje die, in de veel massalere deelname van Engelsen, Fransen en Duitsers, nog wel eens wordt vergeten.

En dat is jammer. Want Hertman’s beschrijving van de jeugd van zijn opa werpt een licht op een Vlaanderen dat ik niet kende. Een regio bevolkt door veelal arme mensen, zeker als je ze vergelijkt met de Walen die profiteren van de industrialisatie in hun regio. Een klassensamenleving, waarin de Gentse chique Frans spreekt om zich van het armere volksdeel te onderscheiden. Ook in het Belgische leger is de voertaal Frans. Jouw probleem als je dat als domme Vlaming niet begrijpt. En hoe dapper een soldaat ook is, als hij niet uit Wallonië komt zal hij nooit officier worden. Het zijn dit soort zaken die doorwerken in de taalstrijd die in België nog altijd niet is uitgevochten, en van sommige aspecten ga je iets meer begrijpen. 

Behalve een verhaal over de Eerste Wereldoorlog en de uitwassen van de taalstrijd, is Oorlog en terpentijn ook een familiegeschiedenis. In de eerste plaats via die dagboeken, maar ook via foto’s, schilderijen en vele gesprekken met familieleden keert Hertmans vanuit de 21e eeuw terug naar de wereld van zijn opa. Van wie hij als kind ooit een vestzakhorloge kreeg dat nog van diens opa geweest was, en dat hij meteen kapot liet vallen. Met dit boek, inhoudelijk sterk en met liefde geschreven, lost hij die levenslange ereschuld ruimschoots in.

Een 9.

Stefan Hertmans
Oorlog en terpentijn
334 pagina's. Uitgeverij De Bezige Bij.
ISBN 978 90 234 76719


donderdag 2 januari 2014

Gezien: Zwart IJs



Je zal maar schaatsen verkopen. Voor het eerst sinds jaren is het een strenge winter. Het E-woord valt zelfs zó concreet, dat op mijn redactie de draaiboeken uit de kast worden gehaald en iedereen elkaar aankijkt met een gezonde spanning in zijn ogen. Jouw zaken moeten gaan als een tierelier. En toch, er is een kwestie die je meer bezighoudt dan de dagelijkse omzet: wat nou als de kopers met die schaatsen van jou, gaan schaatsen op zondag? In hoeverre ligt dat dan aan jou? En hoe oordeelt de Here daarover?

Het is een kernscene uit de documentaire ‘Zwart IJs’, gemaakt door Geertjan Lassche en gisteravond uitgezonden door de EO. Lassche neemt ons mee in de wereld van het marathonschaatsen. Van mannen die dwars door elke pijngrens gaan. En die pas ontdooien als het buiten -10 is. Mannen met opvallend vaak een christelijke achtergrond. Soms is die achtergrond buitengewoon traditioneel, zoals in het geval van de familie Klompmaker. Daar wordt gedubd over die schaatsverkoop. Daar heeft de oude Klompmaker, ook ooit een verdienstelijk schaatser, zorgen over het leven na de dood, want ‘daar zal geween zijn, en tandengeknars.’

Tegelijkertijd blijken er in het peloton ook christenen rond te rijden met rekkelijker principes. Oud-kampioen René Ruitenberg bijvoorbeeld, die zijn geloof tegenwoordig meer evangelisch beleeft. En die zelfs van zijn vroeger zo principiële punt om de Elfstedentocht niet op zondag te rijden wil afstappen, als het even alleen maar op de Dag des Heren lijkt te lukken. En marathonschaatser Geert-Jan van der Wal woont zelfs samen. Iets waar de kerkenraad niet gelukkig mee is als het stel wil trouwen. En waarvan Van der Wal zich afvraagt waar de kerkenraad zich eigenlijk mee bemoeit.

Waarom zou die uiterste krachtinspanning die het marathonschaatsen is, zoveel worden beoefend door mannen van christelijke huize? Ongetwijfeld omdat er boven de rivieren nou eenmaal veel meer geschaatst wordt dan eronder. Maar dat kan nooit het hele verhaal zijn. Kan iemand die weet dat hij ‘in het zweet zijns aanschijns brood zal eten’ dieper gaan onder extreme omstandigheden? Is dat het?

Het blijft een fascinerende wereld, die van één van de laatste zuilen in Nederland, die in het marathonschaatsen kennelijk haar eigen sport heeft. Dat zij haar deuren voor Lassche zo wagenwijd heeft opengezet mag je bijna een godswonder noemen. De opvattingen die de hoofdrolspelers er op nahouden zullen door menig kijker thuis zijn betwist. Lassche echter registreert ze slechts, zonder oordeel. Zo heeft hij al die kleine details vastgelegd, die deze documentaire zo mooi maken. De wat stijve inrichtingen van de huizen. De passie op het ijs. Het feit dat mensen elkaar slechts zelden aankijken als ze met elkaar praten. En onder alles dat prachtige, donkere geluid van klapschaatsen op zwart ijs.

Een dikke 8.